Van Schaarste en Overvloed
Overweging vanJan Groot tijdens de viering op de 17e zondag door het jaar, 28 juli 2024
Lezingen: 2 Koningen 4, 42-44 en Johannes 6, 1-15
Lees of print je de overweging liever als PDF? Die vind je hier.
Hier vind je andere overwegingen (en hier de overwegingen tot april 2023).
Overweging
De horrorbeelden blijven maar doorkomen.
Het houdt in Gaza maar niet op:
de bombardementen,
en al die opgejaagde onschuldige mensen
die geen kant op kunnen;
steeds weer moeten ze verder trekken, vaak met kinderen,
naar wat weer geen veilige plek blijkt te zijn.
Er is daar al tijden bijna geen eten en water,
er zijn niet genoeg medicijnen.
Ondertussen staan er tien, twintig kilometer verderop, al maanden,
lange konvooien vrachtwagens klaar
met eten, en drinkwater en medicijnen.
Voor het wonder hoeven alleen maar
de hekken worden opengedaan.
Het gaat ons voorstellingsvermogen te boven
wat het betekent om daar nu te moeten overleven.
Vooral de beelden van de kleine kinderen
gaan door merg en been.
Ja, ik begin ernstig, en dat staat in schril contrast
met vakantie, zomer, en de mooie dingen die daarbij horen.
Maar .. het gaat hier vandaag over: ‘er is niet genoeg’,
en dan komen die schrijnende beelden vanzelf.
Alles van ons leven en samenleven komt in de bijbel langs,
ook de thema’s schaarste en samen delen.
In het begin van onze beide verhalen
is er volstrekt onvoldoende brood voor vele monden.
Het gaat bovendien om gerstebroden.
Dat waren in die tijd geen grote broden,
zoals wij die bij de bakker halen.
Nee, het ging om zeg maar puntbroodjes.
Vijf van die broodjes was het dagrantsoen voor één persoon.
Van 20 van die broodjes kunnen geen honderd mensen eten,
laat staat 5000 van 5 broodjes en wat vis.
Daar begin het mee, met een enorm groot tekort.
Iedereen te eten geven is onbegonnen werk.
Maar beide keren is de hoofdpersoon een godsman, een profeet
(eerst Elisa, en in het evangelie Jezus).
En ze doen wat profeten altijd doen:
zich er niet bij neerleggen,
en van de nood een deugd maken.
Dat is het springende moment, daar begint de omkeer:
ze leggen zich niet neer bij wat onmogelijk lijkt.
Bij Elisa protesteert de bediende:
twintig gerstebroodjes, dat is beslist niet voldoende
voor honderd mensen;
de profeet kijkt anders,
hij luistert naar God die tegen hem zegt:
‘zet ze de broden voor, ze zullen ervan eten
en nog overhouden’.
Het is maar net naar welke stem we luisteren.
De stem van God ademt vertrouwen, hoop.
Ja, ze houden nog over!
En in het evangelie?
Daar is de nood veel en veel groter:
vijf broodjes en wat vis, en dat voor 5000 mensen.
Daar is echt geen beginnen aan.
Ook de profeet Jezus legt zich niet bij de feiten neer:
‘laat iedereen gaan zitten’, zegt hij.
En dan doet hij eerst iets
waar we bijna overheen lezen:
‘Hij nam de broden, sprak een eucharistisch gebed uit,
en verdeelde het brood onder de mensen die er zaten’.
Dat staat er letterlijk: hij dankte eerst (‘eucharistie’ staat er in het bijbelgrieks)
en hij verdeelde toen het brood onder al die mensen.
En er was volop te eten! Er waren zelfs twaalf manden aan resten brood.
Dit is geen verhaal van tovenarij, geen hocuspocus,
geen onverklaarbaar gegoochel met brood en vis.
Het wonder is Jezus zelf, in persoon;
vandaar dat ze hem tot koning willen maken.
Het beginpunt is heel herkenbaar en van alle tijden;
er is immers grote schaarste en ‘onbegonnen werk’ genoeg;
er zijn veel situaties die uitzichtloos lijken,
op wereldschaal, maar ook in stad en land;
of het is iets dichtbij huis:
iets dat je heel zwaar valt, iets dat vast lijkt te lopen.
Wat mooi, wat kostbaar als het wonder gebeurt
dat mensen zich er niet bij neerleggen.
Dat er hier en daar iemand gaat doén wat hij kan,
iets goeds op gang brengt,
en dan nóg iemand, en nóg iemand.
Ik geloof in de kracht van kleine goedheid
en de aanzuigende werking daarvan.
In de bijbelverhalen gebeuren de broodwonderen
in kort bestek, van het ene moment op het andere, of in korte tijd.
Dat is de bijbelse manier van vertellen.
In onze werkelijkheid voltrekt een wonder zich veel langzamer
en op den duur.
Het is een wonder als kleine goedheid
taai wordt volgehouden, met spirit en lange adem,
en aanstekelijk begint te worden, en een lopend vuurtje wordt.
We zouden bij onszelf na kunnen gaan, op onze stille momenten,
of er gouden momenten zijn,
die je werkelijk goed deden toen je vastliep en niet verder kon.
Of: misschien heb je ooit voor iemand het verschil kunnen maken,
en bracht dat licht aan het eind van de tunnel!
En Gaza dan, en die andere rampgebieden?
Daarin voel ik me heel machteloos,
en ik ben natuurlijk niet de enige.
Je kunt nauwelijks iets doen, alleen wat kleine dingen.
Maar heel wat kleine dingen bij elkaar
kunnen op den duur het verschil maken.
Het is daarom heel kostbaar, onze band
met de Dominicaanse mensen van Fastiv, in de Oekraine,
die al maanden en maanden lang volhouden,
en nood lenigen, en voor brood en voedsel zorgen,
en kleding en dekens in de winter,
en ze gaan maar door.
En ook onze band de zusters van Zuid-Soedan, dat geteisterde land,
waar krijgsheren elkaar bevechten over de rug van de bevolking.
De zusters, met hun gezondheidszorg en eten voor zieken en ouderen,
doen er met hun aanwezigheid iets heel bijzonders.
Er is geregeld contact met beide projecten.
Ze schrijven ons steeds weer dat onze steun hen enorm helpt,
en dat zij voor ons bidden,
en zij vragen ons gebed voor hén.
We kúnnen ten minste iets doen!
Zoals ze in Friesland zeggen:
‘als het niet kan zoals het moet,
dan moet het maar zoals het kan’.